Het vuur bij de kapel

De slopers breken het gebouw met de grootste zorg af alsof ze absolute zekerheid willen dat er geen steen op de andere blijft. Straks zullen vergruizers die stenen weer tot stof vermalen. In druilerig weer volg ik met enkele andere mannen de werkzaamheden. Het zijn vaak dezelfde mannen, daarom groeten we met een lichte hoofdknik, maar gesproken wordt er niet: we zijn getuigen, geen maten. In de verte zie ik onze Peter Zwerver aan komen sjokken. Ik ben niet verrast, want al kan hij geen moment zijn harses houden, ook hij is tot de vaste jongens gaan behoren, of liever gezegd: hij heeft zich een gedoogplaats weten te veroveren. Zo deed hij dat vroeger al; je zag hem er altijd wat bij hangen, nooit maakte hij ergens echt deel van uit, en met die houding bracht hij makkelijk onrust.

Op een zaterdagavond verlaat ik voortijdig de beatmis, en ik tref het: buiten scheuren jongens op brommers gewaagde figuren over de cour. Ik zie ze roepen van opwinding, maar het geluid gaat grotendeels verloren in hevig windgebulder. Nog geen paar tellen later sta ik tussen de gierende brommers aanmoedigingen te krijsen. Plotseling is er een zware dreun, onmiddellijk gevolgd door hel licht. Naast de kapel staat een brommer in de hens. Het woedende vuur staat ondanks de storm als een zuil, kaarsrecht, alsof het door de hemel krachtig wordt opgezogen. Op dat moment komen de eerste mensen naar buiten, onder wie een gearmd stel, dat het vuur heel dicht nadert. De vrouw staart met grote ogen van opwinding en dan schreeuwt de man in haar oor: 'Offer aanvaard'. Even schokt de zuil, en onverwachts is er alleen nog wat restvuur, waarboven ik de roodgloeiende tronie van Zwerver zie verschijnen. Achter hem staat een meisje; ze legt haar kin op zijn schouder.

Hij geeft me een vreselijke slag op mijn schouder en loeit mijn naam: 'Roooest!'. Met gedempte stem groet ik terug terwijl ik hem met een kleine hoofdbeweging corrigerend op de mannen wijs. Die laten zich echter niet afleiden: ze grijpen in navolging van de hoofdsloper naar hun zware shag; het werk moet even overzien worden.

Zwerver komt vlakbij me staan en start op luide toon zíjn overzicht: 'De kapel laten ze staan, daar hebben ze een mooie bestemming voor gevonden. Parkeergarage. Voor lijkwagens'. Hij grijnst. 'Mij maakt het geen reet uit, ik heb het altijd een klote kapel gevonden. Weet je waarom?' Hij grijpt mijn arm en fluistert: 'Geen geheime portalen'. Ik zeg hem dat ik het me weer herinner, en doe een stapje opzij, maar het hele verhaal moet verteld.

'Weet je nog wat je altijd zei van die Trini-meiden in die schotse rokken, met die katholieke nylons, en die vale twinsetjes, dat je dat fatsoensuniformen noemde, en dat je daar allesbehalve fatsoenlijke fantasieën bij kreeg?' En daar klinkt zijn eerste lachsalvo. 'Je dacht er vaak over hoe je ze, voor hun eigen bestwil, van hun uniform en hun fatsoen zou ontdoen, en dat het liefst in de geheime portalen van een kerk'.

'Kijk daar maar mee uit, Zwerver, bijgeloof of niet, je weet toch wat ze zeggen van als je een gek gezicht trekt en de kerkklok slaat net twaalf uur, dat het dan altijd zo blijft staan? Misschien gelden voor de daad der daden wel heel andere tijdstippen'. Zwerver giert het uit, en ik ga verder: 'Stel je voor; daar sta je dan, in het aller onfatsoenlijkste gelid, de klok slaat en je staat voor eeuwig klaar, maar je komt het nooit. Dat is de hel, Zwerver, de ironie van de almacht'.

'Wat denk je Roest, zou onze beatpaters iets dergelijks overkomen kunnen zijn? Je weet toch nog wel, die kloosterberichten van twintig tot dertig onaniepogingen per dag zonder, zeg maar, echt bevredigend resultaat?'

'Geen gekke gedachte, Zwerver, en misschien is het ze ook zo vergaan toen ze samen met de Oosthuizer pastors, de allergrootsten wilden zijn, en de macht hun meedogenloos naar de kop steeg'.

'En toen sloeg de klok!'

Uitgelaten begint Zwerver te zingen. 'Oh, wat een strijd, d'Augustijnen hun penisnijd', herhaalt hij steeds maar weer en hij danst er een bonkige horlepiep bij. Ik begeleid hem met onritmisch handgeklap.

'Herken je het nog?', schreeuwt hij buiten adem. 'Het lied van de barmhartige Samaritaan'.

Ik merk dat we de aandacht trekken met onze herrie en zeg: 'Kalm een beetje. We moeten niet zo hard lachen'.

'Nee, stel je voor', smaalt Zwerver. 'Weet je, laten we liever licht ironisch lachen. Dat kon je vroeger zo goed. Je was dan net een echt Bomannetje. Ironie', gaat hij verder en hij plant zijn vingertoppen intellectueel tegen zijn voorhoofd, 'is dat je iets zo zegt dat je het andere bedoelt, of juist niet, of toch weer wel, soms weet je het zelf niet meer. Geeft niks; je lacht wat nietszeggend - maar lawaailoos - en toch betekenisvol'.

'Maar jij hebt dat nooit echt opgepikt, hè Zwerver? Ironie; daar kon jij op den duur knettergek van worden. Dan was plotseling iets wel zo of niet zo. Maar niets is absoluut, Zwerver', en ik geef hem een flinke dreun op zijn schouder terug. Het lachen is in één keer over.

'Weet je, Roest, dat van die geheime portalen, dat vond ik zo'n mooi verhaal, dat heb ik toen echt gedaan. Herinner je je nog dat meisje wat ik toen had? Op een dag heb ik haar meegenomen naar een kerk, en daar in die geheime portalen hebben we dat toen gedaan en God gevraagd ons altijd bij elkaar te houden. Voor eeuwig. Het was intens mooi en krachtiger heb ik de aanwezigheid van het almachtige nooit ervaren. Het heeft me voor altijd rustig gemaakt'. Hij heeft kalm, bijna zakelijk gesproken, maar toch lijkt hij me aangedaan. Nu zou ik wel een troostend gebaar kunnen maken, maar dan klampt hij aan en voor je het weet staat hij elke dag bij je op de stoep. Ik leg mijn hand op zijn schouder en hij kijkt me verwachtingsvol aan. Dan zeg ik: 'Ik herinner me het meisje nog heel goed, Zwerver, maar ook dat ze niet veel later op haar brommertje werd doodgereden. Dat 'eeuwig' heeft dus niet heel erg lang geduurd, tenzij je over een spagaat beschikt, die van hier tot in het hiernamaals reikt'. Ik zie zijn gezicht verstarren. Hij draait zich om en verdwijnt. Als hij op afstand is, houdt hij ineens stil, alsof hem iets te binnen schiet, dan zet hij zijn handen aan zijn mond en loeit langgerekt naar de hemel: 'Roooest,… Augustijner kippenluuuuuul!'

Ik loei terug: 'Peteeeeer…' Meer weet ik niet. De mannen trappen zorgvuldig het vuur uit hun sigaretten en gaan weg.

Weken later sta ik op de zelfde plaats. De school heeft plaats gemaakt voor een groot modderveld met plassen water. Hier en daar zie ik gasbelletjes naar boven borrelen; de laatste tekens van een bouwwerk dat in zijn eigen moeras is weggezonken. Op mijn terugtocht naar huis zie ik ze steeds weer voor me, in die geheime portalen. En er waren geen paters, geen oude en geen nieuwe, maar wel was er de aanwezigheid van het machtigste; in direct contact, gewoon buiten alle instanties om. Hoe komt zo'n jongen daar nou op?

Ed Roest