PERSBERICHTEN



1964: prijs voor Trinitariërs

Op 11 september 1964 ontvingen Trinitariërs Kees Verbeek en Loek Hopstaken, na school, op het Haarlemse Raadhuis uit handen van onderwijswethouder Voskuilen boekenbonnen van ƒ 10,-. Dit als "prijs der gemeente Haarlem" voor bijdragen aan de "Europese Tekeningen- en Opstellenwedstrijd". In het fotobijschrift verwisselde de Nieuwe Haarlemsche Courant onze namen: "Ido Haagsma" moet zijn Ids Haagsma. Rector Kuipers woonde de uitreiking bij.

dank Loek Hopstaken



1968: bij een Amerikaanse verkoop bracht een muis 125 gulden op!

dank Bram Zeijlemaker



1972: culturele dag

dank Lukas Mulder



1972: culturele dag

dank Lukas Mulder



1972: culturele dag, begrafenis HBS

dank Lukas Mulder



1974 (november)

dank Jeroen Duivenvoorden



1974: deel 2

dank Jeroen Duivenvoorden



1974 (december)

dank Jeroen Duivenvoorden



1974/1975 geslaagden

dank Rob Devilee



1974 5 december Volkskrant

dank Jeroen Duivenvoorden



1975: eindexamenstunt 6 ath a

vlnr op de foto: Tom van der Weijden (met zuidwester)i, John van de Pol en Jan Peter Versteege

dank Vincent Rot en Rob Devilee



1976: geslaagden gym a&b

dank Vincent Rot



1984: (november) Haarlems Dagblad

dank Loek Hopstaken



1985: (december) Haarlems Dagblad

dank Sjef Peeters



14 februari 1986 - De Tijd 61. De conrector, geschreven door A.L. Boon, een pseudoniem van Kees Fens, oud-leraar, over pater Reijkers. Heel mooi en herkenbaar

dank Sjef Peeters


DE TEKST van A.L. BOON


A.L.BOOM

De conrector

0p een samenkomst die wel niet een begrafenis. maar toch een afscheid was en daarom als begrafenis of crematie een reunie, stelde zich een zeer grijze man aan mij voor. Ik moest hem in het zwart terugbrengen om hem te herkennen. Eenentwintig jaar geleden had ik hem het laatst gezien. Het gesprek kon niet lang duren. Na een korte omschrijvmg van beider huidige positie, begonnen wij aan het onvermijdelijke: het uitwisselen van levenden en overledenen Na zoveel jaren heb je voor iemand die je volslagen vreemd is geworden in elk geval nieuws: ieder heeft een eigen levenslijst bijgehouden. en werden verrassende doden binnengedragen en kregen enkelen het woord 'nog' toegevoegd: ze leefden nog, al waren ze uit de herinnering allang verdwenen. Van hem hoorde ik dat alweer minstens een half jaar geleden de conrector was overleden. En toen ging het gesprek toch nog even duren, want wij konden niet ophouden tegenover elkaar zijn grootheid te roemen. Hoewel er twee waren, was er maar één conrector. Ik zou ook hem niet hebben herkend, want eenentwintig jaar geleden, ook al, verliet ik zijn school. Ik neem het mij nu zeer kwalijk, dat ik hem nooit meer heb opgezocht. De grijsaard en ik namen ons in elk geval voor elkaar binnenkort te ontmoeten, Daar zal niets van komen,

De conrector was een pater. De school was een lyceum dat onder leiding stond van zijn orde. De rector van de school was een heel geleerde man, daarbij niet zonder zorgvuldig gecultiveerde charmes die aan zijn optreden een zekere belangeloosheid gaven. Hij wilde hoogleraar worden en dat gebeurde later ook. Zijn opvallendste eigenschap was zijn onzichtbaarheid. De leerlingen interesseerden hem niet of nauwelijks. Ik denk dat hij er geeneen bij naam heeft gekend. Buiten de school was hij een bekende en indrukwekkende figuur; hij kon zijn habijt vol allure laten wapperen. Een paar jaar voor zijn overlijden kwam ik hem nog eens tegen, op een postkantoor. Alle priesters hadden zich inmiddels verkleed. Hij wapperde als in zijn jonge jaren.

De conrector had nooit zijn habijt leren dragen. Het zat wat gedraaid, het was te kort, hoewel hij maar klein was, grote zwarte schoenen staken erander uit. De juiste pas had hij ook nooit leren maken; hij nam zijn stappen te kort en dan kreeg hij iets vrouwelijks, of te wijd en dan viel hij bijna. Hij was een zeer onhandige man. Naast de volle en glimmende rector zag hij er ondervoed uit, met scherpe verticale lijnen over zijn gezicht waarop een bril nooit op de juiste hoogte wilde blijven. Hij was verlegen en stotterde. Als de rector in zijn kamer aan geleerdheid zat te werken, stond hij op wat de 'cour' heette, bijna altijd met een veel te grote wollen sjaal om. Die gaf hem iets komisch. Ik denk dat die sjaal zijn kleine ijdelheid was: van het wat humoristische van zijn voorkomen was hij zich zeker bewust. Met die altijd aanwezige wollen lap kreeg hij iets exentrieks. Ik kwam hem eens tegen in de stad, met een zwarte gleufhoed op, een zwarte jas aan en een heel grote zwarte paraplu. Hij liep met wat merkwaardige pasjes: een figuur uit een oude film.

Hij kende alle jongens, en dat waren er toch zo'n vijf-, zeshonderd. Onder zijn verantwoordelijkheid viel de discipline, maar die onderhield hij moeiteloos. Die man die alles tegen had, dwong van nature respect af. Waardoor? Hij was voor alle leerlingen aardig. Hij strafte met duidelijke tegenzin, hij probeerde met vaak wat ongelukkige toespraken de leerlingen te laten horen dat het voor iedereen best aardig kon zijn op die school. Hij deed er niets voor, maar naarmate de leerlingen ouder werden, werd hun respect een zekere aanhankelijkheid. Ze wisten: er kan hier van alles misgaan, maar de conrector is er altijd en vooral: altijd nog. Zij hoorden als ze ouder werden dat zijn onhandige stem iets lieflijks had, dat hij een groot gevoel voor humor had, dat hij van iedereen hield, kortom, dat hij een ziel had die te groot was voor dat lichaam en voor alle leerlingen en leraren samen. Boven alles was hij echt belangeloos. Als ik een handboek voor de nederigheid zou moeten schrijven, zou ik een poging doen een biografie van hem te maken.

Altijd bij die tochtige deuren, altijd in die natte gangen, altijd maar omgaan met die uitgroeiende jongens, altijd in dat geschreeuw, - hij leek het niet erg te vinden. Maar bijna iedere leraar wist wat hij het liefst deed; les geven. Zijn vak was geschiedenis. Hij gaf het aan de lagere klassen, hij sjouwde van alles mee naar die lessen en hij vertelde schitterende verhalen waarover ik die leerlingen later nog wel eens hoorde. Maar zijn les was nog niet uit of je zag hem met zijn kasteel of opgerolde platen naar zijn kamer hollen. De wacht bij de deur was zijn volgende taak.

Ik was een beginnend leraar. De rector gaf mij bij aankomst een hand en verdween in zijn kamer. Hij heeft mij nooit meer iets gevraagd. Dat kan een bewijs van vertrouwen zijn gewoest. De conrector vroeg terloops iets om de dag, want hij wist uit ervaring dat - ondanks zijn aanwezigheid - moord en doodslag in de klassen mogelijk was. Hij informeerde je ook over de leerlingen, en wat hij zei was altijd vergelijkend bedoeld. Van hem heb ik geleerd nooit streng te zijn. Ik denk dat hij van de duizenden jongens die hij bij naam heeft gekend, er nooit één heeft gekrenkt. Hij was de school, dat werd duidelijk. Hij is er weinig om geprezen.

De paters gaven de school op en hij verdween definitief in dat wat sombere klooster. Hij deed de boekhouding, hoorde ik van iemand, want ik was allang weg op die school. Hij had het nogal moeilijk met alle veranderingen, hoorde ik ook, en met het uitsterven van zijn orde in dit land. Maar ondanks die jaren tocht en dat vele hoesten - hij zag er altijd zeer verkouden uit, ook dat nog - is hij oud geworden. Verdwenen, maar misschien niet vergeten.

Wij spraken bewonderend over hem. En de kleine man groeide tussen ons in staande ver boven ons uit, De grijze man had met hem als enige nog contact gehouden. "Een bijzondere man", zei hij. Hij kon het goed weten. Hij was zelf pater geweest.

14 februari 1986 - De Tijd 61



1988: 6 april Haarlems Dagblad

dank Sjef Peeters



1998: 7 maart Haarlems Dagblad

dank Sjef Peeters



1998: Haarlems Dagblad

dank Sjef Peeters



1990: Kiek Andriessen en zijn Triniteit

Wim Helverstijn in het Haarlems Dagblad van maandag 18 juni 1990. Het artikel geeft weer een aardig beeld van de oude geschiedenis van de school met Kiek Andriessen als markante figuur. Leuk is dat het artikel eindigt met een verwijzing naar de pelgrimstocht die Gied, Cas en ik maakten in mei 1990. We vertrokken in de vroegte van het schoolterrein en liepen de tocht zoals het hoorde. We schreven een kaart aan Kees van Holk (toen rector) en aan Wim Helversteijn, dat het volbracht was.

dank Sjef Peeters



1998: Ingezonden brief uit H.D. van 19-3-1998 van oud-leerling

dank Sjef Peeters



2003: september, vaandel hersteld

dank Sjef Peeters